





|
12 oktober 2004
door Jan Butter Heemskerk - Een klein wit huisje op de Maerelaan. Een grintpad, een moestuin en lakens op de bleek. Dat zijn de eerste herinneringen van het joodse onderduikertje Loukie Israëls aan Heemskerk. Midden in de Tweede Wereldoorlog wordt hij opgevangen in het kinderrijke gezin Kunnen. 'Waar er elf eten, eten er ook twaalf', zo klinkt het. Het duurt niet lang of Loukie is een echte Kunnen.
'De Zorg, Louk Israëls' Onderduikgeschiedenis’ heet het boek van journalist Coen van Harten. Aan de hand van herinneringen en onderzoek vertelt hij het verhaal van Loukie Israëls uit Zwolle. Samen met broer Nico zwerft hij van het ene onderduikadres naar het andere. De broers ontsnappen aan een razzia op boerderij De Zorg bij Amsterdam. Daarna zijn ze gescheiden. Verzetsman Jan Papier, alias Jan van de Geer, brengt de 7- jarige Loukie onder bij de familie Kunnen. Een aandoenlijk zwartharig jochie tussen allemaal blonde kinderen. Het is even lastig om al die namen te onthouden. Want het gezin telt negen kinderen. Maar het voelt gelijk goed aan, ondanks de vreemde katholieke gebruiken en het schijthuis buiten. (…) Loukie krijgt een slaapplaats op zolder, aan het voeteneind van de meiden. De jongste telg heet Gerard, iets jonger dan Loukie die zich al snel thuis voelt. Niet in de laatste plaats dankzij Moe Kunnen. 'Hittepetit, hittepetit, ik zou wel willen weten wat er in dat kopje zit', zingt zij. (…) Bijzonder is ook het getuigenverslag van de twee jongens over een geallieerde luchtaanval op het kasteel Marquette. (…) De herinneringen aan de familie Kunnen zijn vol warmte. Aan de voor hem zo vreemde katholieke gebruiken. Aan het Heilig Hart beeld dat zo'n prominente plaats in huis had. Aan de stroop die Moe Kunnen kookt van suikerbieten en |
|
zelfs de 'lawaaisoep' uit de gaarkeuken. (…) Al snel is Loukie een echte Kunnen. Hij veegt de neus af met zijn mouw. ,,Zo deden wij Kunnens dat.'' Als Moe later vraagt hoe zijn echte naam is, kijkt hij verbaasd op. Hoezo echte naam? Hij heet toch gewoon Kunnen? De schrijver mijdt gevoeligheden niet. Zo verhaalt hij vrijuit over zus Koba die verkering heeft met een Duitse soldaat. De passages zijn compleet met vrijscène. Koba benadert hij met dezelfde warmte. Zij oogt en gedraagt zich als een filmster, maar zij trapt gewoon mee op de fiets in de huiskamer als de stroom in de hongerwinter uitvalt. Koba zorgt dat er voldoende eten is. Zij werkt in de keuken van Marquette, en sleept heel wat mee: voor het gezin, voor Loukie en voor nog een onderduiker. De familie heeft het er moeilijk mee, maar 'zo lang Koba op Marquette werkte was er kuch, moffenkuch.' Koba was in de volksmond een 'moffengriet', maar zij verraadde niemand. Zoals wel de wachtmeester in Dalfsen deed die de moeder van Loukie aangaf bij de Duitsers en die haar zo de dood injoeg, zo is de overpeinzing later. Na de oorlog kreeg de man nota bene een mooie baan. Dat is te lezen in hoofdstukken tussendoor met ontmoetingen met tante Esther. Zoveel jaren na de oorlog probeert Louk van haar antwoorden te krijgen op al zijn vragen. Door de afwisseling van heden en verleden blijven de kinderlijke herinneringen zuiver en er is ruimte voor volwassen bespiegelingen. (…) Het boek heeft een bewogen einde. Na de bevrijding verschijnt er opgewonden volk voor het witte huis in de Maerelaan. Ze komen Koba halen om haar hoofd kaal te scheren en in de rode menie te zetten. Zo is de afrekening met moffengrieten. De hele familie Kunnen neemt plaats voor de deur. Behoudens broer Arie. Want die staat tussen de belagers. (…) |


|
Moe Kunnen |
|
Loukie Israëls |
|
Oorlogsherinneringen van joodse Loukie te boek gesteld Warm onderduikadres in bezet dorp |